De hulpverleners van het Centrum voor Geestelijke Gezondheid De Pont nodigen me uit om donderdag 17 maart deel te nemen aan hun studiedag rond herstel. Ik arriveer tegen de middag en observeer mijn publiek een paar minuutjes tijdens hun middagpauze. Een gezellige bende, mensen die elkaar duidelijk kennen en genieten van het samenzijn na jaren corona. ’s Morgens krijgen ze alvast wat theorie achter de kiezen. Ik word uitgenodigd om de praktijk een gezicht te geven.

Een verhaal van iemand die een psychose doorlopen heeft

Zoals steeds steek ik van wal met een half uurtje verhaal. Ik doorweef mijn woorden met handvaten voor hulpverleners om herstelgericht aan de slag te gaan met mensen die psychotisch zijn. Het vragenuurtje komt iets trager op gang dan gewoonlijk. De stilte van de zaal vertelt me echter dat de meesten geboeid zijn en open staan voor meer. Soms is het een moeilijke oefening tussen opbouwend en constructief verhalen en tegelijkertijd ook durven benoemen waar het misgaat. Duidelijk maken dat veel psychisch leed in de geestelijke gezondheidszorg veroorzaakt wordt door een onbewuste houding en pijnlijke woorden die uitgesproken worden of net niet. De hulpverleners zijn mee en we gaan samen in dialoog.

Woorden waarnaar je verlangt en die niet worden uitgesproken

De volgende gedachtenwisseling blijft hangen. Wanneer ik aangeef dat tijdens mijn opname geen enkele hulpverlener, noch de psychiatrisch verpleegster, noch de psychiater, noch de verschillende therapeuten me zeggen ‘het goed komt’ ontstaat er een fijn gesprek. Een dappere hulpverlener geeft eerlijk toe dat ze zoiets nooit uitspreekt. Geen woorden die ze niet kan beloven, onderstreept ze haar bijdrage. En toch is dat wat ik het meest nodig heb. Het komt goed! Hoe en wanneer en of de hulpverlener dan precies weet onder welke omstandigheden, maakt allemaal niet uit. Het uitzichtloze gevoel dat je ervaart, als je aanvoelt dat anderen er ook niet in geloven, staat elke stapje naar herstel in de weg. Je voelt je machteloos.

Het komt goed!

Ik vraag aan de hulpverlener wat deze woorden voor haar precies betekenen. Vanuit haar referentiekader is ‘het komt goed’ misschien dat je geneest, dat je terug kan gaan werken, dat je zelfstandig kan wonen…
Voor mij is ‘het komt goed’ op een bepaald moment, gelijk aan ‘ik geraak weg uit de Paaz afdeling’. In een andere fase van herstel is ‘het komt goed’, voor mij, ik kom de dag door zonder in huilen uit te barsten. In een verder stadium van mijn herstel is ‘het komt goed’ gelijk aan het afbouwen van medicatie. Enzovoort…

Samen ontdekken we dat het referentiekader van waaruit ons denken vertrekt vaak voor miscommunicatie zorgt. En dat een hulpverlener best probeert geen enkele invulling te geven aan de leefwereld van zijn of haar cliënt. Als coach/begleider vragen stellen vanuit hun expertise lijkt de beste manier om zich gelijkwaardig en hoopvol op te stellen. En als ze toch zicht hebben op een goede oplossing, vraag dan even het mandaat. Mag ik vanuit mijn ervaring een suggestie doen die jou misschien vooruit kan helpen? Als de cliënt hier positief op reageert, weest gerust dat de woorden van de hulpverlener dan voor de volle 100 % binnenkomen.

Een boodschap van hoop

Na het officiële moment laten de hulpverleners me verstaan dat mijn verhaal hen aangrijpt en waardevol is bij de verdere uitoefening van hun job. Ik kan hopen dat ze de moed vinden om regelmatig en oprecht tegen psychisch kwetsbaren te zeggen ‘het komt goed’. Want dat brengt hoop, volgens mij voor beide partijen.

Leen